‘De eenzame kale polder vonden we heerlijk’

0
1691

‘Ik reed in 1959 al deze mijn motor over het nieuwe land. Ik heb hem al die tijd bewaard’, zegt Giel van Andel, terwijl hij een laagje stof van het oude beestje veegt. Speciaal voor de foto gaat hij er samen met zijn vrouw Hinke nog een keer in het zadel zitten.

Ze dwalen even met hun gedachten terug naar de begintijd van Oostelijk Flevoland. ‘Wat was het een mooie tijd’, zeggen ze. Vanuit hun tuin aan de Groene Velden in Lelystad vertellen ze over de pioniersjaren. Giel werkte vanuit kamp Nagele. Hij weet nog goed hoe hij voor het eerst de polder inreed. ‘Het was 2 maart 1959.  We reden in een busje via Elburg naar beneden.  Vervolgens stapten we over op een tractor, die ons naar de Alikruikweg bracht.’

‘Ik kwam daar terecht op een uitgestrekt, kaal geploegd land. Van der Kolk was er bedrijfsboer en Brus ploegbaas. Met een bak superfosfaat (dit is goed voor de wortelvorming) voor mijn buik liep van de ene naar de andere kant van het perceel. We strooiden het met de hand.’

Droogte

‘Het was erg droog en het stoof er verschrikkelijk. Ik weet nog goed dat ik in de pauze een slok drinken van iemand anders kreeg. Ik had namelijk geen waterfles meegenomen. Die eerste week was zwaar. Ik stond op het punt om ermee te stoppen.’ Toen we na een paar weken eindelijk klaar waren met het strooien van superfosfaat, kregen we de opdracht stikstof te strooien.

Giel en Hinke van Andel vertrokken naar de polder omdat ze graag een boerderij wilde hebben. De vader van Giel was graanhandelaar en de boerderij van Hinke’s familie werd overgenomen door een van haar broers. Ze wisten hoe het leven in een polder ging; ze kwamen beide uit de Wieringermeer.

‘Omdat ik kon tractorrijden, mocht ik al gauw een rupstractor besturen. De volgende stap was een combine. In 1959 heb ik gedurende de hele zomer geploegd. Ik vond het heerlijk. Ook de eenzame klussen in de winter vond ik leuk om te doen. Ik hield wel van de rust.’ Hinke: ‘Ik was er eigenlijk wel verbaasd over dat hij zo goed tegen de eenzaamheid kon.’

In mei 1959 kochten ze een woonwagen en verhuisden ze naar Roggebotsluis. Giel ging vanaf daar iedere morgen met de motor of de fiets de polder in. Bij slecht weer nam hij de bus.  ‘Ik bleef thuis, in de woonwagen. Daar had ik veel contact met de andere vrouwen. In de zomer liepen we naar de Kamper kant, waar we in het gras gingen liggen en zwommen.’

Afwijzing

Giel: ‘Na drie jaar verhuisden we naar de Lijzijde Dronten. We waren allereerste bewoners van het dorp. Later verhuisden we naar een groter huis. Vanaf 1964 kwamen er kavels vrij. Keer op keer kregen we een afwijzing binnen. Ja, daar baalden we flink van.’ Giel werd ploegbaas en ging vervolgens een jaar in dienst bij een boer die al wel een stuk grond had. Vervolgens ging hij bij een boerderij aan de Roodbeenweg werken. ‘Op deze manier probeerde ik zoveel mogelijk ervaring op te doen om zo goed mogelijk voorbereid te zijn op het moment dat we zelf een perceel toegewezen zouden krijgen.’

In juni 1971 was het zover. ‘Het perceel dat wij mochten pachten was 51 hectare groot en had prachtige grond; op de oude kleilaag zat namelijk een IJsselmeerafzetting. We kregen echter wel een bijzondere uitgifte. De Rijksdienst vond het beter dat het gezin in het dorp ging wonen. Daar zouden meer sociale contacten zijn. Wij wilden gewoon op het bedrijf wonen, dus bouwden er een huis’, vertelt Giel.

‘Het leven op de boerderij beviel uitstekend’, zegt Hinke. ‘Het was zeker het wachten waard.’ De boerderij aan de Vlotgrasweg is inmiddels verkocht. Geen van hun kinderen wilden het bedrijf voortzetten. En nu wonen we op de Groene Velden. We kunnen hier iedere dag met onze hobby bezig zijn; tuinieren’, besluit het echtpaar.