‘Gronduitgifteprocedure was een groot raadsel’

0
1325
Foto: Wierd Massink

Wanneer Nico Noren (77) met een bakje voer schudt, rennen de schapen enthousiast naar hem toe.  Zijn vrouw Corry (78) loopt voorzichtig tussen de blatende dieren naar hem toe. ‘Vroeger hadden we ook schapen op de dijk. Ik ben daar uiteindelijk mee gestopt. Het was teveel werk’, zegt Nico.

Hij kijkt over zijn land aan de Swifterringweg in Lelystad. ‘Mijn schapen zijn in geen jaren zo mooi geweest’, zegt hij trots. Achter de schuur is een moestuin met verschillende gewassen te vinden. Ze boeren zelf niet meer. Hun zoon Toon heeft het bedrijf overgenomen. ‘Af en toe help ik hem nog op het land. Tractorrijden is het mooiste wat er is. Geconcentreerd ploegen en genieten van het ronkende geluid van een John Deere. Daar mag je mij ’s nachts voor wakker maken’, lacht hij.

Ze zijn gepensioneerd, maar wonen desondanks nog op de boerderij. ‘Ik zou er niet aan moeten denken om in het dorp te wonen. We hebben hier alle ruimte’, zegt Corry. Nico en Corry zijn polderpioniers. ‘Ik weet nog goed dat ik in 1960 met een schop en laarzen klaar stond om voor het eerst in de pas ontgonnen polder aan het werk te gaan’, vertelt Nico.

‘We werden in een soort boevenwagen vanuit Kampen de polder ingebracht en sliepen in barakken.  Het was hard werken. De beginperiode liep ik achter een drainagemachine en schepte ik een laag klei op de drain. Later gebruikten we hier een klein ploegje voor. Ik heb zeker twee jaar lang iedere dag van Dronten naar de Klokbekerweg gefietst en weer terug. Ik verdiende 90 gulden per week en als ik geen gebruik maakte van de bus kreeg ik nog eens 15 gulden extra.’

Riet

De polder bestond voor een groot deel uit riet, dat werd geplant om vocht uit de grond te onttrekken. Nadat het riet werd afgebrand (wat zorgde voor veel roet in de lucht) probeerden de arbeiders het restmateriaal onder te ploegen. ‘Daarna werd koolzaad gezaaid. De hele polder stond vol met gele bloemen; een prachtig gezicht.’

Inmiddels kreeg Nico steeds nieuwe banen. ‘Ploegen en het rondbrengen van gasolie was het leukste om te doen. Je kwam overal.’ Na een jaar of vijf was de grond rijp. ‘In Swifterbant ging het redelijk vlot. Dit komt omdat hier naast een flinke kleilaag ook vrij veel zand te vinden was. In 1963 en 1964 vonden de eerste landuitgiften al plaats.’

‘Je moest minimaal vier jaar achterelkaar gewerkt hebben om in aanmerking te komen voor een stuk land. Want dat was ook mijn doel. Mijn ouders hadden een boerderij in de buurt van Breda, waar ik tot mijn 25-ste werkte. Ik was de oudste van zeven jongens. Bij ons op de boerderij was het de gewoonte dat de jongste de boerderij zou overnemen. Het land verdelen onder ons was geen optie, dan zou niemand een levens vatbaar bedrijf krijgen.’

Ondoorzichtig

‘Ik wilde dus graag een bedrijf starten in de polder. De manier waarop kavels werden aangewezen was echter ondoorzichtig. In de krant De Flevolander verschenen advertenties waar mensen op konden reageren. Driekwart van de stukken grond werd verdeeld over boeren die vanwege ruilverkaveling en stadsuitbreiding naar het nieuwe land gingen. Het overige kwart werd verdeeld onder de pioniers. Omdat er in Flevoland een afspiegeling van de samenleving moest komen te wonen, werd er onderscheid gemaakt tussen katholieken, hervormd/gereformeerden en mensen zonder geloof.’

‘Nu was het vervelende dat er relatief veel katholieken waren. Hoe de procedure precies ging is nog steeds een raadsel. De ene kreeg vrij snel een kavel en de ander moest soms wel tien jaar wachten. In 1968 –we woonden inmiddels in Dronten- kregen wij een brief dat we een kavel hadden, aan de huidige Swifterringweg. We namen een kleine aannemer uit ’s Heerenbroek in de arm, die onze huidige woning en schuur bouwde.’

‘De meststieren woonden er nog eerder dan wij’, lacht Nico. Corry vond ze vooral griezelig. ‘Het waren joekels hoor’, zegt ze. Op het land werden bieten, tarwe en pootgoed geteeld. In 1990 was het bedrijf, na aankoop van het land van de buren, 66 hectare groot.’

Nico denkt nog regelmatig terug aan de pionierstijd. ‘Alles was hier kaal. Nog veel kaler dan nu. Toch was het een mooie tijd, waarin we veel contact hadden met de buren. We hadden elkaar nodig. Nu is dat minder. We leven in een andere tijd’, besluit hij.